|
Raseigenschappen (cochin-kriel).
Uit een artikel van de hand van de heer H.L.A. van der Horst uit de Avicultura no 13, juni 1953 is hieronder een korte omschrijving gegeven betreffende het ideale type van de cochin-kriel. Het betreft teve ns de uitleg van de (ideale) vorm en de bevedering van de cochin-kriel.
Het type en de bevedering bij de cochinkrielen zijn zo samenhangend, dat men de dieren wel enigszins kan vergelijken met een vederbal, met een zo mogelijk kogelrond type. Verder zijn ze laag gesteld en wel zo, dat men de loopbenen nagenoeg niet kan zien. Toch moeten deze benen wel degelijk de gewenste lengte hebben en is het laag gesteld zijn ook meer schijn dan werkelijkheid. Dit wordt gewoonlijk alleen veroorzaakt door de rijke en overvloedige bevedering. Het is zelfs minder gewenst van te kortbenige dieren te fokken en de houding (stand) der dieren is dan ook wel een voorname factor bij de fokkerij. De houding waarover wij het zojuist hadden kan nog wel enige moeilijkheden opleveren bij de beoordeling. Als een dier zijn kop te hoog stelt, verliest het aan type, wat meermalen een gevolg is van schuwheid, want bekijkt men het dier eens later, wanneer het tot rust gekomen is, dan toont het heel anders dan bij de beoordeling. Het lichaam van de cochinkriel moet dus neiging tonen om naar voren gedragen te worden en wel zo, dat de kop de plaats inneemt van de krop bij duiven, of zo men ander wil, dat de kop ongeveer horizontaal gericht is op het boveneinde van de staartpartij. Wordt het lichaam van voren nog lager gedragen, dan zou dit de grond raken en dit is natuurlijk niet gewenst. Verder let men op de breedte van de borst en de tamelijk uiteen geplaatste voeten, zodat een prima vogel ongeveer even breed als lang is en ook weer even hoog als breed, met op alle plaatsen een evenredige ontwikkeling.
Vervolgens nog de zeer korte hals, die een voornaam onderdeel is en het in het oog lopende brede zadel van de uitgesproken kogelvorm, de vrij hoog aangesloten vleugeldracht met de uigespreide, evenwel niet overdadige lange voetbevedering, waarbij van zachte veren voorziene kussens aan de loopbenen. Al deze eigenschappen houden verband met een volmaakt type, maar ook met de ontwikkeling van de veren en dus met een volmaakte rui. Deze laatste is nog enigszins in de hand te werken door de dieren gedurende deze periode zacht voer te geven en ook volop groenvoeder te verstrekken.
De kop speelt eveneens nog een voorname rol. Deze mag niet grof zijn, zoals men nog wel eens zag. nl met te hoge kam en te lange kinlellen. Dit past zeker niet bij een volmaaktee cochinkriel. De kam moet frisrood zijn en fijn getand. De voorbereidingen voor de tentoonstellingen behoeven voor de cochinkrielen niet groter te zijn dan voor een ander vederrijk krielenras. Alleen moet met er voortdurend op bedacht zijn, dat deze dwergen, evenals ieder ander ras met bevederde voeten, zeer veel aanleg hebben voor zogenaamde kalkpoten. Het is daarom gewenst, dat men de benen zo af en toe met wat vaseline insmeert. Dit kan trouwens ook gebeuren bij het verzenden naar de tentoonstellingen en dient dan tevens om de gele beenkleur wat op te halen.
Raseigenschappen van de Cochin
De Cochin is een van de grootste hoenderrassen die we kennen. Zij behoren tot de reuzenrassen, waartoe ook de Brahma, de Langshan en de Jersy Giant behoren. De Cochin is van deze het meest vederrijke hoen. Door de enorme volle en zachte bevedering lijken de dieren nog imposanter en groter dan ze in werkelijkheid zijn. Hun gewicht licht bij de hennen bij 3-4 kg ; de hanen wegen tot 5 kg en meer.
Ze hebben een zeer volle, donsrijke bevedering welke zeer zacht dient te zijn. Hun bouw is zeer breed en diep. Ze hebben een brede, diepgedragen borst. Het zadel of kussen dient evenbreed als de schouders naar achter te lopen in een brede, afgeronde staart. De Cochin heeft staartstuurveren die ingeplant zijn als een omgekeerde U-vorm. Deze stuurveren dienen zo zacht te zijn dat ze door het overvloedige zadel of kussen naar onder gedrukt worden waardoor de staart goed afgerond lijkt. Ze hebben een overvloedige dijbevedering en rijke voetbevedering. De stand der poten dient breed te zijn. De hanen tonen wat hoger dan de hennen. Ze dienen echte „asiatische“ koppen te hebben. Dat wil zeggen dat de dieren naarmate ze ouder worden wenkbrauwen moeten tonen. Kleine eenrijige kammen en niet te grote, afgeronde kinlellen kompleteren de brede kop. De houding is minder gedoken als bij de krielen, maar zeker bij de hennen licht gedoken.
Belangrijk bij zo’n rijkbevederd hoen is de veerkwaliteit. De veren dienen zo breed mogelijk te zijn. Zij bestaan voor tweederde uit donsaandeel en voor eenderde uit veeraandeel. Indien de veren smaller worden, dekken ze het dons niet meer volledig af en kijkt men, vooral op zadel en kussen, in het dons. Bij dit ras dient men regelmatig „ vers bloed“ in te brengen om de vitaliteit te waarborgen. Dit kan door dieren uit bloedvreemde lijnen van eigen materiaal in te voeren of door dieren van andere fokkers in te brengen. Dit laatste is vrij moeilijk omdat de meeste dieren in West-Europa toch al vrij nauw verwand zijn. Er wordt al regelmatig materiaal uitgewisseld.
De Cochin is een vrij rustig hoen dat niet vliegt. Ze kunnen op een vrij kleine ruimte worden gehouden. Vrije uitloop en beweging zijn belangrijk voor de ontwikkeling der beenderen en spieren, hetgeen zorgt voor een goede groei van deze reuzen.
Erkend is de Cochin in de kleuren wit, zwart, blauw, buff, koekoek en meerzomig patrijs. Er wordt in de hele wereld aan nieuwe kleurslagen gewerkt.
|